Deze site maakt gebruik van JavaScript. Instructies om JavaScript in te schakelen, vindt u hier.

Familieoverdracht: Alles klopte… totdat de Belastingdienst ging toetsen.

Het leek een traject zonder frictie.

Een familiebedrijf werd overgedragen aan de volgende generatie. De structuur stond, de waardering was opgesteld en de BOR leek goed toepasbaar. Voor de betrokkenen voelde het logisch. Dit was precies waar de regeling voor bedoeld was.

Totdat de Belastingdienst ging toetsen.

Wat eerst afgerond leek, kwam opnieuw op tafel. Niet alleen de waarde zelf, maar vooral de onderbouwing erachter. De vragen gingen meteen naar de kern.

  • Welke liquiditeiten zijn echt nodig voor de bedrijfsvoering? 
  • Welk deel is ondernemingsvermogen en welk deel niet?
  • En waarom valt dit vastgoed wel of niet onder de BOR?

Op dat niveau begon het te kantelen.

Overtollige liquide middelen die binnen het bedrijf als normaal werkkapitaal werden gezien, kregen fiscaal een andere kwalificatie. Ook het bezit of verhuurde vastgoed paste niet binnen het ondernemingsvermogen. Niet alles wat in de onderneming zit, wordt automatisch gezien als ondernemingsvermogen.  

Dat maakt BOR-trajecten gevoelig.

De regeling kan veel opleveren, maar alleen als de waarde en de samenstelling van het vermogen goed gekwalificeerd en onderbouwd zijn. Een aannemelijke redenering is dan niet genoeg. Er moet te volgen zijn waarom iets is meegenomen, waarom iets buiten de regeling valt en hoe die keuzes samenhangen met de waardering.

In dit geval betekende dat terug naar de basis.

Aannames opnieuw bekijken. Vermogen opnieuw kwalificeren. Keuzes scherper vastleggen dan eerder nodig leek.

Pas toen dat weer stond, kwam er rust terug in het traject.